| Veehouderij is zo goed als failliet

Veehouderij is zo goed als failliet

De Volkskrant 14 juli 2018

De intensieve veehouderij gaat wereldwijd gepaard met grootschalige problemen. Naast negatieve effecten op volksgezondheid (door fijnstof, zoönosen, resistentie van ziekteverwekkers tegen antibiotica, vervuiling van drinkwaterbronnen) en dierenwelzijn noemen wij biologische en landschappelijke vernieling van het boerenland en aangrenzende natuurgebieden (door egalisering, vermesting, verdroging, verzuring, gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen), en de sociale en ecologische gevolgen van de import van veevoer en verspilling van schaarse hulpbronnen. Bovendien is de veehouderij een belangrijke bron van broeikasgassen, waarvan de uitstoot volgens de klimaatdoelstellingen van Parijs in 2030 gehalveerd moet zijn. De grote rol van de veesector hierin is welbekend: de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2014), de Sociaal-Economische Raad (2016) en de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (2018) gaven hierover duidelijke en steekhoudende adviezen, die achtereenvolgende kabinetten grotendeels hebben genegeerd. Ook de EU houdt de intensieve veehouderij met geldverslindende subsidies in stand.

De reden dat de sector nog steeds op zoveel politieke steun kan rekenen lijkt in zijn vermeende economische betekenis te liggen, maar deze wordt in onze ogen schromelijk overschat. In Nederland levert de veehouderij bijvoorbeeld minder dan een half procent van het nationaal inkomen, terwijl zij maar liefst voor 10% bijdraagt aan broeikasgasemissies. Wanneer de kosten van milieu- en klimaatschade worden verdisconteerd, is  het rendement van de veehouderij zelfs negatief. TNO berekende dat de toegevoegde waarde van de varkenshouderij 2,7 miljard euro is, terwijl de maatschappelijke kosten door belasting van natuur en milieu 4 miljard bedragen.  Ook als bron van werkgelegenheid en inkomen presteert de veehouderij slecht. Minder dan een half procent van de beroepsbevolking is werkzaam in de veehouderij, waarbij het aandeel van lage inkomens (onder de 23.000 euro per jaar) bovendien hoog is. Veel bedrijven bestaan bij gratie van inkomenssteun van gemiddeld 22.000 euro die de veehouder jaarlijks van de EU krijgt. De veehouderij is dus zowel economisch als qua duurzaamheid failliet. Zij kan uitsluitend voortbestaan dankzij het feit dat zij de milieurekening niet betaalt: dat doen de overheid, natuur en milieu, en, uiteindelijk, de burger.

De sector heeft een nieuw perspectief nodig: van kwantiteit en maximalisatie van opbrengsten naar kwaliteit en duurzaamheid. Een duurzame oplossing is alleen mogelijk wanneer niet alleen de boer, maar de gehele keten bereid is daaraan mee te werken, inclusief  de voedingsindustrie, de supermarkten en de consument. De bereidheid in de keten groeit. Bij de consument ziet men een afname van vleesconsumptie en hogere bestedingen aan verantwoord en duurzaam geproduceerd voedsel. Ook wordt in de voedingsindustrie veel geld verdiend met vleesvervangers, zelfs door de grote melkconcerns.  Het belangrijkste is dat de boer die duurzaam produceert een billijke prijs voor zijn hoogwaardig product ontvangt en dat niet-duurzaam geproduceerd voedsel belast wordt. Een verhoging van de prijs van vlees en zuivel stelt boeren in staat om minder én verantwoord te produceren bij een gezinsinkomen dat niet verder daalt. Progressieve belastingen op geïmporteerd veevoer, kunstmest, antibiotica, en chemische bestrijdingsmiddelen zijn hiervoor krachtige instrumenten. Dit zal leiden tot een verhoging van de prijs van voedsel dat op een vervuilende manier is geproduceerd, met als gevolg een verdere  verschuiving in het koopgedrag van consumenten in de richting van minder vlees en meer verantwoord geproduceerd voedsel. Op die manier verdwijnt het mestoverschot en daalt de uitstoot van ammoniak zodat herstel kan plaats vinden van de biodiversiteit  in onze natuurgebieden. De mestproductie en aanwending moeten worden teruggebracht naar het niveau dat passend is bij goede bodemkwaliteit.  Mestproductie door niet-grondgebonden veeteelt ten behoeve van de export moet worden afgebouwd, tenzij het ontvangende land het mestoverschot erbij neemt.

Macro-economisch zijn de consequenties van dergelijke maatregelen goed te overzien: de maatschappelijke kosten van de sector zijn immers nu hoger dan de baten, en de nieuwe kennis die we opdoen over duurzame productiewijzen kan een geweldig exportproduct zijn. Tekorten aan vlees en melk zullen niet optreden, omdat de sector nu vooral voor de exportmarkt produceert. Het tegenargument, dat andere landen de productie van Nederland zullen overnemen, is in onze ogen zwak: die andere landen hebben zich eveneens gecommitteerd aan het klimaatakkoord. Op het niveau van de individuele bedrijven zal een koude sanering echter dramatisch kunnen uitpakken. Daarom is een actieve rol van de overheid nodig om de benodigde krimp in goede banen te leiden. Wij, als wetenschappers, uit sociale, economische en natuurwetenschappelijke hoek,  doen daarom een dringende oproep aan de sectortafel landbouw en landgebruik – waarin het gewenste klimaatbeleid voor landbouw en landgebruik  concreet gemaakt gaat worden – om te kiezen voor een duurzame en structurele aanpak die de hoofdoorzaken van de problemen – namelijk de te lage voedselprijzen en het te hoge aantal dieren – daadwerkelijk aanpakt.

Noelle Aarts

Rien Aerts

Frank Berendse

Jan Willem Erisman

Reyer Gerlagh

Ab Grootjans

Arjen Y. Hoekstra

Henriette van der Horst

Maarten Krol

Klaas Landsman

Henk van Loveren

Pim Martens

Henk  C. Moll

Dorien Pessers

Theunis Piersma

Herbert H.T. Prins

Lucas Reijnders

Jan Rotmans

Paul van Seters

Chris Smit

Nico M. van Straalen

Paul C. Struik

Peter H. Verburg

Nanne de Vries

Roos Vonk

Martin Wassen

Jan-Philip Witte

Bastiaan C.J. Zoeteman

Metatalk webdesign